Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Zevenkerke heidereservaat

 

In de loop 1996 nam Natuurpunt vzw afd. Brugge contact op met de Abdij van Zevenkerken. Of we een kleine kapvlakte in het domein van de Abdij niet konden beheren als natuurreservaat? Ja, die open plek in het bos, waar de bomen maar niet willen groeien. Zou die dan misschien van belang zijn voor natuur? Zo had men het nog niet bekeken op de Abdij. We mochten een voorstel doen. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen! De reacties waren positief, een beheersovereenkomst werd getekend, en vanaf 1997 konden we van start gaan met het natuurbeheer.
Het jongste Brugse reservaatje (ongeveer drie ha groot) ligt ingesloten in het voor het publiek ontoegankelijke deel van het Abdijdomein. Een oud Grove dennenbestand op dit terrein werd zo’n 20 jaar geleden gekapt. De heraanplanting met Amerikaanse eik, Grove den en Fijnspar mislukte grotendeels, en de natuur greep haar kans. Spontaan groeide de kale, droge grond dicht met schraal grasland en heide. Tegelijk vestigden zich berken en Zomereik. Die spontane boomopslag en de aangeplante bomen dreigden uit te groeien tot een heus bos, zodat een kapping stilaan dringend werd, als we de spontane heidevegetatie wilden behouden.
Die heide willen we inderdaad behouden. Er komen immers heel wat bijzondere planten en dieren voor. De bijzonderste is wel de Rode dophei. Dit is de soort die de heidevelden van Bretagne, de Landes of het noorden van Spanje z’n felle kleur geeft. In Vlaanderen bereikt hij de noordgrens van zijn verspreiding, met twee gescheiden areaaltjes: ten zuidwesten van Brugge en in de streek van Maasmechelen. Andere typische en zeldzame soorten zijn Tweenervige zegge (met een gelijkaardige verspreiding als de Rode dophei), Liggende vleugeltjesbloem (beide op de Vlaamse Rode lijst voor planten) en Bruin blauwtje (op de Rode lijst voor vlinders). Daarnaast vind je er Gewone dophei, Struikhei, Tormentil en een reeks minder opvallende, maar even karakteristieke soorten.
Hoe komt die heide hier nu? We onderzochten de voorgeschiedenis van ‘ons’ perceel en z’n omgeving aan de hand van schriftelijke bronnen, historische kaarten en kadastrale leggers. Minstens vanaf 1252 tot 1810 maakte het deel uit van een uitgestrekt heidegebied, het Sint-Andriesveld. Dat werd ontgonnen voor de landbouw vanaf ongeveer 1800. De beste gronden werden omgezet tot akkers en weilanden, de armste bebost met naaldhout. Heide laat zich echter niet zomaar verdringen. De zaden van veel heideplanten blijven zeer lang, tot 100 jaar en langer, kiemkrachtig. Van zodra zo’n heidebebossing gekapt wordt, schiet de heide er weer overal uit de grond. Als zo’n terrein opnieuw bebost wordt, verdwijnt de heide weer tijdelijk (omdat die licht nodig heeft), om bij een volgende kapping opnieuw te kiemen. Dat is wat gebeurde in Zevenkerken, en in het Rode Dopheidereservaat (het tweelingreservaat langs de autostrade, op de terreinen van de Vlaamse Maatschappij voor Waterwinning, op een boogscheut van Zevenkerken) en de heideveldjes van Beisbroek en Tillegem. In Zevenkerken hadden we dus de kans het heide-lappendeken in Sint-Andries en Sint-Michiels een beetje uit te breiden.
Ook voor het beheer van een aanpalend perceel werden afspraken gemaakt met de Abdij. Een ingezaaid gazon, ooit bedoeld als tuin bij een kleine woning, ontwikkelde zich mettertijd tot een echt heideveldje, met nog veel meer hei dan in de kapvlakte. Minstens even belangrijk is een kleine plas, bijna 15 jaar geleden gegraven als tuinvijver in dat ‘gazon’. Deze heeft, net als het plasje in het heideveldje van Beisbroek, eerder de allure gekregen van een heideven. Vooral de spectaculaire libellenpopulatie (zowel qua soortenrijkdom als aantallen) verantwoordt een natuurgericht beheer.
Het gevoerde beheer gedurende die laatste vier jaar bestond voornamelijk uit houthakken. In het centrale deel van de kapvlakte werden alle aangeplante naaldbomen verwijderd en een deel van de jonge berken. De eiken werden voorlopig ongemoeid gelaten. We hebben de indruk dat de heide zich hierdoor lichtjes heeft uitgebreid. Verder werden ook enkele plekken geplagd in 1999. Dat betekent dat de zode of de toplaag van de bodem weggeschept wordt. Daardoor komt de zaadvoorraad in de bodem aan de oppervlakte te liggen en wordt het ideale kiemingsmilieu voor heideplanten geschapen, namelijk blootliggend zand. Bovendien werd op die manier het Duinriet verwijderd. Deze soort dreigde aanzienlijke terreindelen dicht te groeien. Veel heide kiemde er helaas voorlopig niet op de plagplekken, zo bleek deze zomer. Wel vonden we kiemplantjes van Veelbloemige veldbies en Pilzegge, ook typische soorten voor heide en heischraal grasland, naast de minder enthousiast begroete Schapezuring, bramen en Wilgeroosjes (hoe mooi die ook zijn!). Het plaggen leverde echter meteen een verklaring op hiervoor, en ook voor het feit dat we voorlopig eerder een grasland met verspreide heideplanten hebben – geen echte heide zoals in het ‘gazon’ of in het Rode Dopheidereservaat. Het bleek immers dat we hier niet op een podzolbodem, karakteristiek voor ongestoorde heidebodems, zitten, maar dat de bodem ooit geploegd moet geweest zijn. De bovenste 20 centimeter zijn immers homogeen, humusrijk zand. De heidezaden zijn hierbij uiteraard mee ondergeploegd, zodat er minder aan de oppervlakte komen te liggen na plaggen. Dit alles betekent dat de evolutie naar een heidevegetatie lang op zich kan laten wachten. Niet getreurd echter, de huidige vegetatie is op zich al bijzonder genoeg! Tot slot past hier wel een woordje van dank aan alle vrijwilligers die op de werkdagen hun boompje hebben omgelegd of hun stukje geplagd. Hun hard labeur leverde al mooie resultaten op!
Het natuurgebied in privé eigendom, is niet vrij toegankelijk.
Info en aanvraag voor geleide wandelingen bij de conservator: Stefaan Verplancke 050/38.21.50.